Jan van het Kruis - geschriften/01. Gedichten/00-03. Donkere nacht

From SPIRIN
Jump to: navigation, search

John of the Cross.jpg

Jan van het Kruis
Geschriften
Kees Waaijman
Cees Bartels




Jan van het Kruis - geschriften/01. Gedichten/00-03. Donkere nacht


Jan van het Kruis Kees WaaijmanCees Bartels   2013Published
 © Spirin Publication




John of the Cross.jpg

Jan van het Kruis
Geschriften
Kees Waaijman
Cees Bartels


00-03. Donkere nacht Vertaling

Noche oscura

Canciones del alma que se goza de haber llegado al alto estado de la perfección, que es la unión con Dios, por el camino de la negación espiritual. Del mismo autor.

1. En una noche oscura,
con ansias, en amores inflamada
¡oh dichosa ventura!,
salí sin ser notada
estando ya mi casa sosegada.

2. A oscuras y segura,
por la secreta escala disfrazada,
¡Oh dichosa ventura!,
a oscuras y en celada,
estando ya mi casa sosegada.

3. En la noche dichosa
en secreto, que nadie me veía,
ni yo miraba cosa,
sin otra luz y guía
sino la que en el corazón ardía.

4. Aquésta me guiaba
más cierto que la luz del mediodía,
adonde me esperaba
quien yo bien me sabía,
en parte donde nadie parecía.

5. ¡Oh noche que guiaste!
¡Oh noche amable más que el alborada!
¡Oh noche que juntaste
Amado con amada,
amada en el Amado transformada!

6. En mi pecho florido
que entero para él sólo se guardaba,
allí quedó dormido,
y yo le regalaba,
y el ventalle de cedros aire daba

7. El aire de la almena,
cuando yo sus cabellos esparcía,
con su mano serena
en mi cuello hería
y todos mis sentidos suspendía.

8. Quedéme y olvidéme,
el rostro recliné sobre el Amado,
cesó todo y dejéme,
dejando mi cuidado
entre las azucenas olvidado.

Donkere nacht

Zangen van de ziel die zich erin vergenoegt de hoge staat van volmaaktheid bereikt te hebben die de vereniging met God is, langs de weg van de geestelijke nieting. Van dezelfde auteur.

1. In een donkere nacht,
hunkerend, ontvlamd in liefde
- o fortuinlijk geluk!
ging ik ongemerkt naar buiten,
reeds lag mijn huis in rust.

2. In het donker en veilig,
langs de geheime ladder, vermomd,
- o fortuinlijk geluk!
in het donker en verholen,
reeds lag mijn huis in rust.

3. In die fortuinlijke nacht,
in het geheim, dat niemand mij zag,
noch ik had oog voor iets,
met geen ander licht, geen andere gids
dan wat er gloeide in het hart.

4. Dat gidste mij
zekerder dan het middaglicht
naar waar hij mij wachtte
die ik goed mij wist
op een plek waar niemand kwam.

5. O nacht, jij die gidste!
O nacht, lieflijker dan het gloren!
O nacht, jij hebt verbonden
Geliefde met geliefde,
geliefde in de Geliefde omgevormd!

6. Aan mijn borst in bloei,
geheel voor hem alleen bewaard,
daar bleef hij ingeslapen
en ik streelde hem
en de waaier van ceders gaf wind.

7. De wind van de tinne,
toen ik door zijn haren streek,
trof met haar hand
sereen mijn hals
en vervoerde al mijn zinnen.

8. Ik bleef zelfvergeten,
vlijend het gelaat over de Geliefde,
alles week en ik liet mij,
latend mijn schroom
tussen de leliën vergeten.


Uitleg


Het gedicht Donkere nacht werd door Jan van het Kruis in het najaar van 1578 of het voorjaar van 1579 geschreven in het Karmelklooster Calvario in Andalusië, waar hij in die tijd prior was. Een paar maanden ervoor was hij ontsnapt uit zijn gevangenschap in Toledo.[1] De titel Donkere nacht werd waarschijnlijk niet door Jan van het Kruis zelf aan het gedicht gegeven.[2] Het opschrift, dat eveneens van later datum is, verwoordt de mystieke dimensie van het gedicht: 'Zangen van de ziel die zich erin vergenoegt de hoge staat van volmaaktheid bereikt te hebben die de vereniging met God is, langs de weg van de geestelijke nieting'.[3]

Het gedicht, opgebouwd uit acht strofen, elk bestaande uit vijf versregels, staat in de traditie van de Spaanse liefdeslyriek en verraadt de invloed van Sebastián de Córdoba. Ook zijn echo's van Fray Luis de León te horen.[4] Poëtisch gezien valt er veel aan het gedicht te beleven: repetitie van woorden en wendingen (anafoor, epifoor, anadiplosis), rijm (begin- en eindrijm, klankeffecten), stuwend ritme, suggestieve beeldtaal enzovoort.[5]

Al wordt in het opschrift niet uitdrukkelijk gezegd, dat het gedicht van het menselijke 'naar het goddelijke toe' (a lo divino) is geschreven, in feite past Jan van het Kruis deze techniek duidelijk toe. Uitgangspunt is het oermenselijke gegeven van een meisje dat midden in de nacht opstaat en haar ouderlijk huis verlaat om haar geliefde te ontmoeten op een plek waar hij op haar wacht en waar zij zich met elkaar verenigen in liefde. De dichter nodigt de lezer uit dit ervaringsgegeven te lezen naar het goddelijke toe en geeft daartoe verschillende taalsignalen: de 'Geliefde' wordt met een hoofdletter geschreven (drie keer), de term 'omvorming' doet denken aan een mystiek traktaat en er zijn de Bijbelse toespelingen uit het Hooglied en het boek Exodus. Deze taalsignalen stimuleren een mystieke dieptelezing van het gedicht. De toegepaste techniek maakt het minder aannemelijk, dat de Donkere nacht de 'onmiddellijke vertaling van een ervaring' is en dat 'het gaat om een lyrische ontboezeming' of om 'een getransponeerde autobiografie'.[6]

In onze uitleg volgen wij eerst het 'menselijke' verhaal. Daarna halen wij de taalsignalen naar voren die een mystieke lezing uitlokken. Ten slotte proberen we preciezer te bepalen welk stadium in de mystieke omvorming Jan van het Kruis op het oog heeft.

Het menselijke ervaringsgegeven

In de eerste strofe vertelt het meisje (het sprekende ik), dat zij ‘ongemerkt’ uit haar huis ‘wegtrok’ om buiten, in het vrije veld, vlakbij de stadsmuur, haar geliefde te ontmoeten. Hiermee zijn twee motieflijnen uitgezet: het ‘weggaan’ uit het ouderlijk huis en het ‘ongemerkte’ daarvan. Wat betreft het ‘ongemerkte’, twee factoren werken erin samen dat de nachtelijke escapade niet wordt opgemerkt. De eerste factor is: het gebeurt in een ‘donkere’ nacht, dat wil zeggen: tijdens het meest duistere deel van de nacht, zonder het naschijnsel van de ondergaande zon, zonder het eerste gloren van het morgenlicht, zonder ook het schijnsel van maan en sterren. De tweede factor is: het huis is in diepe slaap verzonken. Dit huis, zo zal nog blijken, is omgeven door een muur of een schutting, want het meisje heeft een ladder nodig om weg te komen. In het huis ligt de familie te slapen. Genoeg ogen dus om de liefdesgangen van het meisje op te ‘merken’ en te controleren. Maar dat gebeurt gelukkig niet, want het huis ligt in diepe rust. Niemand die iets merkt. Wat betreft de tweede motieflijn, het erop ‘uitgaan’, deze komt onweerstaanbaar in beweging vanuit het meisje zelf, dat hunkert van verlangen naar haar geliefde. Heftig zijn haar emoties: rusteloosheid, ongeduld, angst. Liefde heeft haar van binnenuit doen ontvlammen voor haar geliefde. Zo rustig en stil als het huis is, zo onstuimig en bewogen is haar hart. De twee motieflijnen vloeien onmerkbaar in elkaar over en versterken elkaar. Dat is meteen al in de eerste twee versregels te zien: het is alsof de nacht zelf hunkert en gloeit van verlangen: ‘In een donkere nacht, hunkerend ontvlamd in liefde.’ Het meisje is verwonderd en opgetogen om de dubbele kans: het diepste duister en het slapende huis. Zij maken het haar mogelijk 'ongemerkt' weg te komen: ‘O fortuinlijk geluk!’

In de tweede strofe wordt de eerste motieflijn verder ontwikkeld: de donkere nacht en het in diepe rust gedompelde huis. Daar is allereerst ‘het donker’ (2x) van de nacht. Dit donker is een ‘veilig’ schild, dat het meisje omringt en onzichtbaar maakt. Het zorgt ervoor dat zij ‘verholen’ kan ontsnappen. Twee nieuwe factoren voegen zich bij de ‘veilige’ en ‘verholen’ ontsnapping. De eerste is: een ladder, die het meisje in het geheim bij de muur om het huis heeft gezet. Deze zorgt ervoor, dat zij de hoofdingang niet hoeft te gebruiken. Hierdoor krijgt het onopgemerkte van haar ontsnapping een extra accent. Ten tweede, zij heeft zichzelf vermomd. Mocht zij al worden gezien, dan wordt ze in ieder geval niet herkend. Ten slotte is er opnieuw de reeds bekende factor, die woordelijk wordt herhaald als slotregel: ‘Reeds lag mijn huis in rust.’ Voor de tweede keer geeft het meisje midden in de strofe uiting aan haar opgetogen verwondering: ‘O fortuinlijk geluk.’ In deze strofe betreft haar verwondering vooral de uiterlijke samenloop van omstandigheden: het donker van de nacht, de geheime ladder, de vermomming en het huis dat in diepe rust verzonken is.

In de derde strofe verschuift de aandacht naar die andere motieflijn: de innerlijke aandrang en liefdesbrand, die het meisje naar buiten doen trekken. Eerst worden nog eens de uiterlijke bescherming van ‘die fortuinlijke nacht’ en het verbergende ‘geheim’ (de ladder en de vermomming) genoemd. Samen zorgen zij ervoor, dat niemand haar weg ziet gaan, maar ook: dat zij zelf nergens oog voor heeft! Ook zijzelf beweegt zich in het duister. Het enige licht dat haar leidt, de enige gids die haar de weg wijst, is ‘wat er gloeide in het hart’. Hiermee worden het hunkerende verlangen en de ontvlamde liefde uit de eerste strofe hernomen. Tegenover de donkerte van de nacht is de hunkerende liefde het enige gloeien en het enige vlammen, dat licht en leiding geeft. Maar dit licht is volkomen innerlijk: niemand ziet haar en ook zij heeft oog voor niets! De nacht hult haar in het diepste duister, niet alleen van buiten, maar ook van binnen. Blind verlangen en blinde liefde drijven haar weg uit huis, op weg naar haar geliefde. Niet alleen als object wordt zij door niemand gezien, ook als waarnemend subject blijft zij voor zichzelf ‘ongemerkt’. Zo grijpen ook nu weer de twee motieflijnen – de donkere nacht en de gloed van het verlangen – in elkaar, zij het dat in de derde strofe vooral de innerlijke bewogenheid van het liefdesverlangen vooropstaat. Intussen zijn we buitenshuis gekomen. Dat wordt met name gesuggereerd door de woorden ‘licht’ en ‘gids’. Zij duiden op alles wat leiding geeft op de weg door het donker. Het meisje heeft geen ander ‘licht’, dan wat haar gang verlicht, en geen andere ‘gids’ die haar begeleidt, dan dit ene: wat er in haar van liefde hunkerende hart vlamt en gloeit.

De vierde strofe richt de aandacht volkomen op de hunkering van de liefde die gloeit in het hart. Dit blinde verlangen is de enige gids die haar door het donker loodst, het enige licht in de nacht. Dit licht is zekerder dan het helle licht midden op de dag. Hiermee is de paradox volkomen: de nacht die het meisje omringt en innerlijk doordringt, is een helder licht, helderder dan het middaglicht. Inmiddels richt de aandacht zich reeds op het doel: de plek waar de geliefde op het meisje wacht. De geliefde zelf was geen moment buiten beeld, want hij was aanwezig en werkzaam in de hunkering, in de ontvlamde liefde, in de gloed van het hart. De aandacht richt zich op de plek waar hij wacht. Blijkbaar hadden de geliefden elkaar vaker ontmoet, want het meisje wist heel goed waar deze plek, die verder aan niemand bekend was, zich bevond.

In de vijfde strofe roemt het meisje driemaal de nacht, driemaal ingeleid met dezelfde verwonderde en verheugde uitroep 'O'. Met deze uitroep had het meisje reeds tweemaal het fortuinlijke geluk van de nacht en de liefdesvlam bezongen (strofe 1 en 2). De eerste lofprijzing van de nacht betreft haar gidsende werking: ‘O nacht, jij die gidste!’ Hier is goed te zien, hoe intiem de donkere nacht en de hunkerende liefdesgloed met elkaar verweven zijn. Want was in de vorige strofen nog uitsluitend ‘wat gloeide in het hart’ haar 'gids', nu is het de nacht die haar gidst. In feite echter wisten wij reeds vanaf het begin, dat het de nacht zelf was die hunkerend ontvlamd was in liefde. Het is één gids en één helder licht: de donkere nacht en de donkere liefdesgloed. Beide samen maken de uittocht ‘ongemerkt’: voor anderen – ‘zodat niemand mij zag’ – én voor het meisje zelf – ‘noch ik had oog voor iets’. De uiterlijke nacht en de innerlijke nacht van het verlangen zijn één: het gloeiende licht van de liefde dat alle lichten, zelfs het helderste licht overtreft en feilloos gidst naar de plek van de liefde. De tweede lofprijzing van de nacht betreft haar lieflijkheid. Normaal wordt het donker van de nacht verbonden met gevaar, dreiging, angst en ongenaakbaarheid. Voor het meisje is de nacht echter ‘lieflijk’, want zij bracht haar naar de geliefde om wie zij ‘in liefde’ was ontvlamd. Voor haar is de donkere nacht daarom ‘lieflijker dan het ochtendgloren’. Voor de derde keer wordt hier de nacht verbonden met het licht. De eerste keer was het toen zij – ontvlamd (strofe 1) en gloeiend (strofe 2) – de nacht zag als gidsend licht (strofe 3). De tweede keer, toen zij dit gidsend licht ervoer als ‘zekerder dan het middaglicht’ (strofe 4). De derde keer vergelijkt zij de nacht met het ochtendgloren: het licht van de nacht is lieflijker (strofe 5). De derde lofprijzing van de nacht betreft de kern van het lied: de nacht heeft de geliefden bij elkaar gebracht en hen verenigd in liefde. Hier voor het eerst schemert door, dat de vereniging van de geliefden een godmenselijke ontmoeting is, want de ‘Geliefde’ wordt met een hoofdletter geschreven. Bovendien wordt de vereniging een ‘omvorming’ genoemd: ‘geliefde in de Geliefde omgevormd’. Dit is typisch mystiek taalgebruik. Wij laten deze lezing ‘naar het goddelijke toe’ nog even rusten. We komen er straks op terug. De vereniging in liefde wordt beschreven in termen van volkomen wederzijdse overgave: het meisje schenkt zich geheel aan haar beminde, waardoor zij hem geheel kan ontvangen. Beiden geven en ontvangen elkaar in liefde.

In de zesde strofe verstilt iedere beweging: de geliefde is in liefde bij zijn geliefde. Hij rust aan haar borst, die door zijn liefde tot bloei is gebracht en die zij voor hem alleen bewaard had. Daar bleef hij ingeslapen. Prachtig is het rijm tussen het huis dat in diepe slaap en rust verzonken is (strofe 1 en 2) en de geliefde die rust aan de borst van zijn geliefde en slaapt. De nacht is ontbloeid in wederzijdse stilheid. De bewogenheid van het meisje, aanvankelijk voortgedreven door een onweerstaanbare hunkering, is tot rust gekomen in het stille strelen van zijn haren. De streling duidt op een beweging die niet doelgericht is. Het is een stil liefkozen, dat geheel bij de geliefde verwijlt. De streling wordt begeleid door een derde die zich mengt in het liefdesspel: een koele bries, veroorzaakt door een rij ceders die samen, in de fantasie van de dichter, een waaier vormen.

De zevende strofe gaat door op de koele bries, die neerdaalt van omhoog, van de kantelen die de stadswal beschermen. De bries wordt voorgesteld als een persoon: met haar hand beweegt zij de waaier van ceders. Zo treft zij het meisje in haar hals, terwijl zij haar geliefde door zijn haren strijkt. Zij is volkomen verrast door deze aanraking, en raakt buiten zinnen. Een prachtige contrastparallellie tussen de muur om het huis en de stadsmuur. De muur om het huis was door het meisje onschadelijk gemaakt: via een geheime ladder maakte zij deze hindernis ongedaan. De muur om de stad daarentegen, met zijn ongenaakbare kantelen, verrast het meisje van omhoog met zijn koele bries en brengt haar buiten zinnen.

Zoals de geliefde ingeslapen in de liefde ‘bleef’ en aan haar borst ‘bleef’ rusten, zo ‘bleef’ ook het meisje in vervoering, zelfvergeten in de liefde: zij boog teder haar gelaat over haar geliefde. In deze uiterste zelfvergetenheid gebeurt er iets paradoxaals. Alles wijkt, alles trekt zich terug, verdwijnt naar de achtergrond: de waaier van ceders, de koele bries, de kantelen. Terwijl alles wijkt, nadert zij: zij laat zich volkomen gaan, zij laat alle schroom achter zich tussen de leliën – symbool van zuivere terughoudendheid – vergeten en geeft zich volkomen over aan haar geliefde.

Het liefdesverhaal valt uiteen in twee gelijke delen. Het eerste deel vertelt hoe het meisje ‘ongemerkt’ haar huis verlaat en veilig de plek bereikt, waar haar geliefde op haar wacht (strofe 1-4). Het tweede deel prijst de nacht die de geliefden heeft verenigd in wederzijdse liefde, waarin beiden blijven, in diepe rust, zelfvergeten, in overgave (strofe 5-8). Het verbindend element in dit liefdesgebeuren, opgetogen en verwonderd met O-uitroepen toegezongen, is de nacht. Het is de nacht die het meisje beschermt en onzichtbaar maakt. Het is de nacht die haar naar haar geliefde gidst. Het is de nacht die lieflijker is dan het ochtendgloren. Het is de nacht die de geliefden omvormt in elkaar.

Naar het goddelijke toe

Zoals gezegd, het gedicht bevat een aantal taalsignalen die een mystieke lezing stimuleren. Het eerste signaal is de hoofdletter waarmee een van de geliefden wordt aangeduid,[7] de goddelijke 'Geliefde' in het liefdesgebeuren. Hiermee is meteen ook de andere partner in de godmenselijke betrekking opgeroepen: de mens, die in de christelijke spiritualiteit met 'de ziel' wordt aangeduid. Dit spoort met het opschrift, die in het gedicht ‘de vereniging van de ziel met God’ ziet uitgedrukt, wat hetzelfde is als ‘de hoge staat van volmaaktheid’. Deze ‘vereniging’ wordt bezongen in deel 2 van het lied (strofe 5-8). De weg erheen is ‘de weg van de geestelijke nieting’, zoals beschreven in deel 1 van het gedicht (strofe 1-4). Deze geestelijke nieting betreft de uittocht uit het eigen huis (strofe 1-2) en de weg naar de Geliefde zonder enig uiterlijk houvast (strofe 3-4).

Het tweede taalsignaal bestaat erin dat de dichter Bijbelse toespelingen maakt, die de mystieke laag in het gedicht naar boven halen. Het meest in het oog springt het Hooglied, dat vanaf Origenes ononderbroken als een mystiek geschrift is gelezen en ook door Jan van het Kruis zelf als mystieke grondtekst is omspeeld in zijn Geestelijk hooglied. In het Hooglied wordt tweemaal verteld, hoe de bruid 's nachts haar huis uitgaat om haar beminde te ontmoeten in het vrije veld. De eerste keer ligt zij al in bed, toch staat zij op, midden in de nacht.

Op mijn bed 's nachts
zocht ik mijn zielsbeminde,
ik zocht hem, maar vond hem niet.
Opstaan wil ik, de stad ingaan
langs straten en langs pleinen
en mijn beminde zoeken.
Ik zocht hem, maar vond hem niet (3,1-2)

Zij vraagt de wachters op de stadswal, of zij haar beminde hebben gezien. Zij krijgt geen antwoord. Maar zij is de wachters nog maar nauwelijks voorbij, of zij vindt hem en brengt hem in het huis van de liefde (3,3-4). De overeenkomsten zijn duidelijk: beide meisjes verlaten midden in de nacht hun huis, om hun beminde te ontmoeten, buiten de stadswal. De tweede keer is het weer nacht. De bruid slaapt, ‘maar mijn hart is wakker’ (5,2), zij wordt ‘onstuimig over hem’ (5,4). Zij staat op, trotseert opnieuw de wachters bij de stadsmuur (5,7), om hem ten slotte te ontmoeten in ‘zijn tuin’ om daar ‘de leliën te plukken’ (6,2).

Van mijn geliefde ben ik,
van mij is mijn geliefde,
die te midden van de leliën weidt (6,3).

Opnieuw duidelijke overeenkomsten: beide meisjes gaan hun huis uit in de nacht om elkaar te ontmoeten buiten de stadsmuur. In de tweede toespeling is de bruid onstuimig van hart en de vereniging is een omvorming in liefde: zij geeft zich aan hem en hij geeft zich aan haar. Er zijn nog andere motieven in het Hooglied die het liefdesgebeuren inkleuren: de liefde is een gloeiende vlam (8,6); de nacht en het open veld zijn tijd en plaats van de liefde (7,11; vgl 8,1); het meisje rust aan de borst, terwijl de geliefde de wijn van de liefde smaakt in zijn slaap (1,13; 7,9); de borst is bewaard voor de geliefde(7,13); de wind die door de liefde speelt (4,6.16); de tinne en de ceders (8,9; vgl 4,4); de leliën te midden waarvan de geliefden verblijven (2,2.16; 5,5). Al deze toespelingen werken erin samen dat de Donkere nacht als vanzelf verstaan wordt als een klein Hooglied, een mystiek liefdesgebeuren tussen God en mens. Het tweede bijbelboek, waarop het gedicht een toespeling maakt, is het boek van de Uittocht. Deze toespeling wordt misschien minder gemakkelijk opgemerkt, maar is zeker zo belangrijk. Het punt van overeenkomst is hier de merkwaardige dubbelheid van de nacht: donker en licht tegelijk. Net als het meisje gaat Israël naar buiten, weg uit het huis Egypte. Hierdoor krijgt het ‘huis in diepe rust verzonken’ ineens de ondertoon van slavenhuis. Bij haar ‘uittocht’ (Ex 14,8) wordt Israël aan het oog van Egypte onttrokken door een wolkzuil: ‘De wolk was duisternis, maar tegelijk verlichtte hij de nacht’ (14,24; zie ook 13,21-22; 1 Kor 10,1-2). Diezelfde wolkzuil zorgde er ook voor dat Israël geen overzicht had. Hier zijn de vier hoofdingrediënten aanwezig: de nacht, het donker, het licht en het onttrokken zijn aan de blik. Het is God zelf die ‘in de vuurzuil en de wolk’ (14,24) gidsend aanwezig is. [8] Alle bijbelse toespelingen samen bewerken dit ene: het gedicht de Donkere nacht dient gelezen te worden als de verwoording van een mystiek proces, dat de mens in heel zijn kennen en verlangen raakt.

Het derde taalsignaal is de term 'omvorming', die aan dit mystieke proces een systematische, traktaatachtige dimensie geeft. De term 'omvorming' ontbreekt weliswaar niet in de profane liefdespoëzie, maar in de spirituele literatuur had hij tegelijkertijd de connotatie van een veelbesproken thematiek.[9] Dit geldt zeker voor het werk van Jan van het Kruis, zoals we in de inleiding zagen: 'omvorming' duidt op een gelaagd spiritueel proces. De geoefende lezer zal ook onmiddellijk zien dat in de Donkere nacht een specifieke laag in de 'omvorming' centraal staat: de omvorming in liefde. Is dit taalsignaal eenmaal herkend, dan laat het gedicht zich moeiteloos lezen als een mystiek minitraktaat.

Tegen deze achtergrond is het dan ook niet vreemd dat Jan van het Kruis zelf het gedicht heeft uitgelegd in een mystiek traktaat: in de Bestijging van de berg Karmel, geschreven tussen 1578 en 1583, en in de Donkere nacht, geschreven tussen 1582 en 1584. In beide commentaren laat hij zich leiden door hetzelfde gedicht: de Donkere nacht. In de Bestijging legt Jan van het Kruis de eerste strofen van het gedicht uit. Hij beschrijft de mystieke omvorming vanuit het perspectief van de beginnelingen: het loslaten van het eindige en het zich laten leiden door de vrijheid van geest. Dit wegtrekken uit het eindige en het voortgaan zonder enig ander houvast dan de liefde zelf markeert de nacht die de ziel bevrijdt uit de gangbare ervaringswereld[10] en uit de spirituele constructen van het verstand, de wil en het geheugen.[11] Iedere stap in dit bevrijdingsproces laat zich leiden door ‘de staat van volmaaktheid die wij hier de vereniging met God noemen’.[12] In de Donkere nacht kiest Jan van het Kruis opnieuw het perspectief van de beginnelingen. Hij beschrijft de ‘uittocht’ van de ziel als Gods bevrijdende werking, die een loutering van de ziel betekent, een ontmenging van het Oneindige uit het eindige, een zeer pijnlijk proces, omdat het eindige kost wat kost alles vereindigt tot iets. Ook nu weer becommentarieerd hij de eerste twee strofen: ‘In de eerste twee strofen worden de uitwerkingen van de beide geestelijke louteringen uitgelegd, namelijk van het zintuiglijk en van het geestelijk niveau van de mens’.[13] Na het commentaar op de twee strofen[14] eindigt het commentaar met een ultrakorte schets van de derde strofe.[15]

Beide commentaren kiezen het perspectief van de beginnelingen en beperken zichzelf derhalve tot de eerste strofen van het gedicht. Lezen we het gedicht als geheel, dan draait het 'traktaat' echter om de omvorming in liefde, waarbij de mystieke nacht een centrale rol speelt. Overeenkomstig de drie O-uitroepen die de climax vormen van het gedicht, zien wij in de mystieke nacht drie dimensies. De eerste nacht is het wegvallen van alle kaders en zekerheden. Dit niet-weten zelf is de gids die de ziel op weg zet en in het spoor houdt: 'O nacht, jij die gidste!' De tweede nacht is het goddelijk licht, dat echter duister is, omdat het de menselijke geest verblindt: 'O nacht, lieflijker dan het gloren!' De derde nacht is duister, omdat er in de intimiteit van gelaat tot gelaat geen enkele objectkennis: 'O nacht, jij hebt verbonden Geliefde met geliefde, geliefde in de Geliefde omgevormd!'[16] We zien dus hoe de nacht niet alleen de climax van de mystieke uittocht is, maar tegelijk de opmaat voor de mystieke omvorming in liefde, die, zo zagen we in de inleiding, drie dynamieken kent: de beweging van de ziel die zichzelf in de Geliefde verliest, de beweging van God die de hunkerende ziel binnen voert in intimiteit van de liefde, en de beweging van de Geest die beiden verenigt in de grondeloze afgrond van God die liefde is. Zodra de Geest de intimiteit van Gelaat tot gelaat heeft gesticht, is alles vergeten: zelfvergeten en schroom-vergeten. Alles is geweken en gelaten. Enkel liefde. Eén liefde.

Het geestelijk huwelijk

We kunnen nog één stap verder zetten. Jan van het Kruis maakt binnen de omvorming in liefde onderscheid tussen de geestelijke verloving en het geestelijk huwelijk: 'Wat dit betreft is het goed te beseffen hoe verschillend het is God enkel te bezitten door genade en Hem bovendien te bezitten door vereniging. Het eerste is veel van elkaar houden, het tweede is bovendien zich aan elkaar meedelen'.[17] In de verloving is er eenheid van wil, 'maar in het huwelijk delen de personen zich in de vereniging bovendien aan elkaar mee'.[18] Jan van het Kruis spreekt uitvoerig over het geestelijk huwelijk in het commentaar op het Geestelijk hooglied.[19] Hij typeert deze fase in de omvorming in liefde aldus: 'Men kan waarlijk zeggen dat de Geliefde in de geliefde en de geliefde in de Geliefde leeft. De liefde brengt in de omvorming van de lievenden zo'n gelijkheid tussen beiden tot stand dat men kan zeggen dat de een de ander is en dat beiden er slechts één zijn. (...) Elk van beiden schenkt schenkt zich aan de ander en verruilt zich voor de ander'.[20] Bij deze wederzijdse schenking in liefde speelt de Heilige Geest een bij uitstek bemiddelende rol doordat hij als liefde bemiddelt.[21] wederkerige zelfschenking roept bij Jan van het Kruis de volgende beeldtaal op. De Geliefde is een tuin in bloei, een bloembed. De geliefden rusten in elkaar, zichzelf vergetend in de nachtelijke vrede.[22] De Heilige Geest verwondt als een zachte bries de geliefde en steunt haar hals, symbool van liefdeskracht.[23] De werking van de Heilige Geest is paradoxaal: de geliefde 'stoot op de volgende eigenaardigheid, dat de wind (de Heilige Geest, kw) waarbij de geliefde koelte en verkwikking vindt, een des te groter vuur van liefde is'.[24] Van de ene kant wakkert de Heilige Geest het vuur van de liefde aan, maar tegelijk verschaft Hij koelte. Het is duidelijk dat dit alles sammen de sfeer is die door de Donkere nacht wordt opgeroepen na de ode op de nacht die de geliefden met elkaar heeft verbonden en in elkaar heeft omgevormd (strofe 4-8). Het tweede deel van de Donkere nacht beschrijft het geestelijk huwelijk zoals dat opbloeit in de mystieke nacht, een blijvende gesteltenis van zelfvergetenheid en vrede, verloren als de ziel zichzelf heeft in Gods liefde, onmiddellijk aangewakkerd door de Heilige Geest, die steeds dieper liefdeswonden slaat in de geliefde.


  1. B.Sesé, Jean de la Croix. Poésies, o.c., 26
  2. De titel ontbreekt bijvoorbeeld in het handschrift van Sanlúcar. Ynduráin laat wellicht daarom de titel gewoon weg. Zie D. Ynduráin, San Juan de la Cruz. Poesía, Madrid 1990, 261.
  3. Dit opschrift fungeert in het handschrift van Sanlúcar als titel. Ynduráin zet het opschrift tussen krammen. Zie ibidem.
  4. B.Sesé, Jean de la Croix. Poésies, o.c., 26
  5. Voor een uitvoerige beschrijving zie B.Sesé, Jean de la Croix. Poésies, o.c., 27-28
  6. J.Baruzi, Saint Jean de la Croix et le problème de l'expérience mystique, Paris 19312, 337.
  7. We volgen de spelling van de Obras completas, o.c., 78-79.
  8. In het gedicht Ik ging me binnen verwijst Jan van het Kruis uitdrukkelijk naar dezelfde ‘donkere wolk die de nacht verhelderde’ en de ziel in niet-weten hult, de hoogste mystieke kennis: een niet-weten dat alle weten overstijgt.
  9. Voor voorbeelden zie D. Ynduráin, San Juan de la Cruz. Poesía, o.c., 208-210.
  10. Boek I over strofe 1.
  11. Boek II over strofe 2.
  12. Opmerking vooraf bij de Bestijging
  13. Proloog.
  14. Over strofe 1 in boek 1 tot en met 2,14; over strofe 2 in boek 2,14-24
  15. Boek III,25.
  16. Voor een beschrijving van deze drie nachten zie K. Waaijman, Blijvend niet weten, in: Wat is verlichting?, (red. R. Ritskes), Rotterdam 2009, 113-154.
  17. Vlam van liefde levend, 3,23.
  18. Vlam van liefde levend, 3,23. Zie ook 3,79.
  19. Vanaf strofe 12,6.
  20. Geestelijk hooglied, 12,7.
  21. Geestelijk hooglied, 38,3-4. Zie ook Vlam van liefde levend, 1,7.9; 2,7.
  22. Zie voor deze rust en vrede Geestelijk Hoorglied, 1,4.
  23. Geestelijk hooglied, 22,2-8; 26,3-17; 39,1-15. Zie opnieuw ook Vlam van liefde levend, 1,7.9; 2,7.
  24. Geestelijk Hooglied, 13,12.