Jan van het Kruis - geschriften/01. Gedichten/00-04. Vlam van liefde levend

From SPIRIN
Jump to: navigation, search

E



John of the Cross.jpg

Jan van het Kruis
Geschriften
Kees Waaijman
Cees Bartels


00-04. Vlam van liefde levend Vertaling

Llama de amor viva

Canciones del alma en la íntima comunicación, de unión de amor de Dios. Del mismo autor.

1. ¡Oh llama de amor viva,
que tiernamente hieres
de mi alma en el más profundo centro!
Pues ya no eres esquiva,
acaba ya, si quieres;
¡rompe la tela de este dulce encuentro!

2. ¡Oh cauterio suave!
¡Oh regalada llaga!
¡Oh mano blanda! ¡Oh toque delicado,
que a vida eterna sabe,
y toda deuda paga!
Matando. muerte en vida la has trocado.

3. ¡Oh lámparas de fuego,
en cuyos resplandores
las profundas cavernas del sentido,
que estaba oscuro y ciego,
con extraños primores
calor y luz dan junto a su Querido!

4. ¡Cuán manso y amoroso
recuerdas en mi seno,
donde secretamente solo moras
y en tu aspirar sabroso,
de bien y gloria lleno,
cuán delicadamente me enamoras!

Vlam van liefde levend

Zangen van de ziel in innigste samenspraak, vanuit de liefdeseenheid met God. Van dezelfde auteur.

1. O vlam van liefde levend,
die teder treft
mijn ziel in haar diepste midden!
Want niet meer gruwzaam ben Jij,
voleind nu, zo Jij wilt,
breek het weefsel vanuit deze zoete tegenkomst!

2. O mild schroeien,
o strelende verwonding,
o gedweëe hand, o tere aanraking,
die naar eeuwig leven smaakt
en alle schuld betaalt,
slachtend heb Jij dood in leven veranderd.

3. O lampen van vuur,
in wier glanzingen
de diepe krochten van de zinnen,
die donker waren en blind,
met ongekende achtzaamheden
warmte en licht ineen aan haar Beminde geven.

4. Hoe zacht en lief
ontwaak Jij in mijn borst,
waar geheimvol alleen Jij verblijft,
en in jouw genotvol toeademen
van goed en heerlijkheid vervuld,
hoe fijn lief Jij mij!


Uitleg


Uitleg

De Vlam van liefde levend is omstreeks 1584 geschreven in Granada. Men neemt aan dat het gedicht bedoeld is voor Ana de Peñalosa, met wie Jan van het Kruis bevriend was.[1] Het gedicht bestaat uit vier strofen, die elk een symmetrisch sextet vormen: tweemaal drie regels van achtereenvolgens zeven, zeven en elf lettergrepen. De strofen volgen het rijmschema abcabc.[2]

Zoals bij goede gedichten meestal het geval is, zetten de eerste woorden de lijnen uit die daarna in het gedicht verder worden uitgewerkt. Dat zien we ook gebeuren in de Vlam van liefde levend: de eerste versregel opent werkelijk het gedicht. De uitroep 'O' zet de toon: verlangen en dringend vragen.[3] Het woord 'vlam' introduceert het menselijke ervaringsgegeven dat te denken geeft: het vuur dat stap voor stap de kern van het hout binnendringt. Met 'liefde' wordt aangegeven hoe dit beeldverhaal 'naar het goddelijke toe' gedacht kan worden: de omvorming in liefde. Het woord 'levend' ten slotte,[4] met zijn tegenpool 'dood', voert de omvorming in liefde tot haar uiterste grens: waar 'dood in leven' wordt veranderd.

Het menselijke ervaringsgegeven

In tegenstelling tot de andere gedichten die 'naar het goddelijke toe' denken (a lo divino), is in de Vlam van liefde levend het 'menselijke' verhaal (de lo humano) slechts met een enkel woord aangeduid. Daar is allereerst de 'vlam', die in het vervolg van het gedicht blijkt te 'schroeien' (strofe 2). Zij ontsteekt 'lampen van vuur' die 'glanzen' en 'warmte en licht ineen geven' (strofe 3). Waar werkt deze vurige vlam op in? Waarvan brandt zij? Het enige 'profane' signaal dat de tekst geeft, is dit: de vlam werkt in op het 'weefsel', dat op 'breken' staat, omdat het vuur het 'diepste midden' van het weefsel (de stof, het rag, de dunne lap, het dunne vlies) heeft bereikt.

Het beeld dat Jan van het Kruis voor ogen had, beschrijft hij uitvoerig in de Donkere nacht: 'Het eerste wat het materiële vuur doet wanneer het zich bezig gaat houden met hout, is dat het vuur het hout begint te drogen, doordat het het vocht eruit werkt, en het water dat het in zich heeft, eruit doet huilen. Vervolgens maakt het vuur het hout zwart, donker en lelijk en laat het ook stinken. Beetje bij beetje droogt het vuur het hout, brengt het alle lelijke en donkere eigenschappen die het bezit en die tegengesteld zijn aan het vuur, aan het licht en drijft ze naar buiten. Ten slotte, terwijl het vuur het hout van buitenaf langzaam verwarmt en doet ontvlammen, vormt het het hout in zichzelf om en maakt het zo mooi als het vuur zelf. Uiteindelijk is er van de kant van het hout geen enkele hartstocht of eigen werkzaamheid meer, behalve dat de zwaarte en de omvang massiever zijn dan die van het vuur. Het hout heeft nu de eigenschappen en de werkingen van het vuur in zich: het is droog en maakt droog; het is warm en maakt warm; het is helder en maakt helder; het is veel lichter dan voorheen, omdat het vuur in het hout deze eigenschappen en uitwerkingen bewerkt.’[5] In één beeld – door Jan van het Kruis een 'vergelijking' genoemd[6] - wordt aldus heel het proces van omvorming – hout wordt vuur – gevat. Het proces omvat drie hoofdfasen: het vocht wordt uitgedreven; de donkere en lelijke eigenschappen worden verwijderd; het vuur vormt het hout om in zichzelf. In deze laatste fase wordt de grens van dit proces benaderd, maar altijd zal het hout door zijn gewicht en zijn omvang, massiever, zwaarder, compacter, verdichter en gedrongener zijn dan het vuur, dat immers van nature omhoog wil, losser en beweeglijker is.

Deze grensbenadering is van groot belang voor het verstaan van de Vlam van liefde levend, want het 'menselijke ervaringsgegeven' (de humano) speelt zich precies aan deze uiterste grens van de derde fase af. Jan van het Kruis verwoordt deze toedracht aldus: 'Het is als vuur dat het hout binnengaat: al heeft het vuur het hout in zich omgevormd en al is het er reeds één mee, toch wordt het hout, wanneer het vuur het dieper en langduriger verhit, veel gloeiender en vlammender, tot het van zich uit vonkt en vlamt.'[7] Hier geeft Jan van het Kruis nauwkeurig aan welke fase in de omvorming van hout in vuur hij op het oog heeft. Het vuur heeft niet slechts het hout in zichzelf omgevormd en is er niet slechts één mee, maar het is erin binnengegaan. Wanneer dit gebeurt, is het hout reeds uiterst fragiel en dun geworden. De vlammen spelen in het hout. Het hout schiet van binnenuit vlammen. Reeds lijkt het houtweefsel bij zoveel ontvlammen te breken. Maar dat gebeurt nog net niet. Het doorgloeide, brosse hout is als een fijn rag dat als het ware zucht onder zoveel vuur, maar nog net niet breekt. Gezien vanuit deze uiterste situatie – 'wanneer het vuur het hout dieper en langduriger verhit, wordt het gloeiender en vlammender, tot het van zich uit vonkt en vlamt' – vertelt het gedicht ons het volgende verhaal.

De eerste strofe introduceert de 'vlam', die binnengegaan is in het 'diepste midden' van het hout. Zij heeft het hout zo diep en langdurig verhit, dat de vlam in het hout rondspeelt en het hout van zich uit 'vonkt en vlamt'. De fase dat het vuur 'gruwzaam' bezig was (vocht afscheiden en viezigheid uitdrijven), is allang voorbij. Het hout ziet uit naar de 'voleinding' van het proces: het hout dat uiterst fragiel geworden is, brokkelt in het vuur, naar binnen toe, om zelf vuur geworden nog enkel vlammen te schieten.

De tweede strofe gaat op dit beeld door en ziet het 'milde schroeien' van het vuur in het hout. Het hout is wit en ragfijn, als het ware om het vuur geweven als een uiterst breekbare en uiterst dunne tule. De wijze waarop het vuur in dit weefsel speelt, is een 'tere aanraking'.

In dit 'milde schroeien' en deze 'tere aanraking' beweegt het vuur zich vrij in het hout en verlicht van binnenuit de binnenruimte van het hout als 'lampen van vuur'. In het schijnsel van hun beweeglijk 'glanzen' worden 'de diepe krochten' van het hout, die daarvóór 'donker', ondoordringbaar, dicht en massief waren, zichtbaar. Het wonderlijke is, dat in deze fase 'warmte' en 'licht' twee kanten zijn van één proces.

De laatste strofe grijpt terug op het 'milde schroeien' en de 'tere aanraking'. Wie ziet hoe het vuur vrij en beweeglijk in het hout, dat alsmaar dunner, breekbaarder en transparanter wordt, rondspeelt, is verbaasd, 'hoe zacht en lieflijk' het uiteindelijk in het hout beweegt.

Op deze wijze hebben wij enigermate een beeld gekregen van het 'menselijk' proces, dat Jan van het Kruis voor ogen stond, toen hij de Vlam van liefde levend schreef.

Vlam van liefde

In een aantekening bij de tekst van het gedicht zegt Jan van het Kruis, dat de zangen qua dichtvorm lijken op de poëzie van Boscán en Garcilaso, waarin een menselijk ervaringsgegeven wordt 'gekeerd naar het goddelijke'.[8] In de vorige paragraaf hebben we het menselijk ervaringsgegeven verkend: het vuur heeft het hout in zichzelf omgevormd en is erin binnengegaan, zodat het hout uiteindelijk van zich uit vlamt. 'Naar het goddelijke toegekeerd' betekent dit: 'In deze graad van ontgloeien – zo moet men begrijpen – spreekt de ziel hier innerlijk reeds zo eigenlijk omgevormd in het vuur van de liefde, dat zij niet slechts één is met dit vuur, maar dat zij dit vuur reeds als levende vlam in zich heeft.'[9] Dit 'in zich hebben' van het ontvlammen van de Godsliefde moet verstaan worden binnen het bredere kader van de omvorming in liefde, waarbinnen het, zoals het beeld reeds te verstaan gaf, een specifieke plaats inneemt. Jan van het Kruis drukt dit als volgt uit: 'Hoewel wij bij de zangen die wij eerder verklaarden, reeds spraken over de meest volmaakte graad van volmaaktheid die in dit leven bereikbaar is, namelijk de omvorming in God, handelen deze zangen toch over een liefde die nog eigenlijker en volmaakter is, binnen diezelfde staat van omvorming.'[10] De bedoelde 'staat van omvorming' is het geestelijk huwelijk, de meest volmaakte graad van de omvorming in liefde. Hier gebeuren drie dingen tegelijk: de ziel wordt buiten zichzelf in God getrokken; God deelt zichzelf mee door zichzelf; er is sprake van wederkerigheid. Met name het tweede punt betreft het 'in zich hebben' van de liefde en laat verschillende graden zien: de Godsliefde kan dieper of minder diep doordringen in de ziel, zoals we zagen in het beeld van het vuur en het hout. Daarom zegt Jan van het Kruis: 'Want, hoewel het waar is dat alles wat deze en eerdere zangen zeggen, tot één en dezelfde staat van omvorming (in liefde) hoort, waar men als zodanig niet voorbij kan komen, toch kan iemands kern op den duur door oefening, zoals gezegd, veel dieper van liefde doordrongen worden.'[11] Voor Jan van het Kruis gedraagt 'het vuur van liefde' zich 'als het materiële vuur in het hout', omdat het liefdesvuur 'steeds dieper doordringt in de ziel',[12] totdat de 'vlam van liefde' uit het diepste centrum van de ziel, als het ware van binnenuit 'ontvlamt'. De ziel ervaart dit als 'een gepassioneerde liefde', die echter niet van haarzelf komt, maar de 'werking van God' in haar is; wat zijzelf doet, is slechts 'ermee instemmen'.[13] Het vuur is in de diepste kern (de substantie) van het hout doorgedrongen, en deze 'vonkt en vlamt' nu 'van zich uit'[14], dat wil zeggen: van God uit die, dieper dan de ziel zelf bij zichzelf kan komen, de 'vlam van liefde' is. Dat is de Heilige Geest, 'een vuur dat in haar brandt en opvlamt'.[15] Deze vurige werking van de Geest markeert 'het verschil dat er is tussen de omvorming in liefde en de vlam van liefde'.[16] Binnen de omvorming in liefde tekent de vlam van liefde zich derhalve af als een eigen moment: de ziel staat van binnenuit in brand vanuit God. 'Dit is hetzelfde verschil als er bestaat tussen het brandende hout en de vlam die eruit oplaait. De vlam is de uitwerking van het vuur dat daar brandt.'[17] De ziel handelt in zekere zin niet meer, omdat alles wat zij doet 'vlam' van het 'vuur' is. 'De daden van de ziel zijn te vergelijken met de vlam die vanuit het vuur van liefde ontstaat. Deze vlam laait des te feller op naarmate het vuur van de vereniging intenser is. In deze vlam worden de daden van de wil één. Zij stijgen op, meegesleept en opgeslorpt in die vlam van de Heilige Geest.'[18]

Het menselijke ervaringsgegeven van een stuk hout dat geheel doordrongen is van vuur en dat van binnenuit begint te vlammen, wordt door de dichter naar het goddelijke toegekeerd: de ziel is geheel doordrongen van het vuur van de Godsliefde en begint van binnenuit te ontvlammen. Deze lezing a lo divino wordt gevoed door de aanhaling uit het Hooglied midden in het gedicht: 'lampen van vuur'. Het hele citaat luidt: 'Haar lampen (dat wil zeggen: de lampen van de liefde) zijn lampen van vuur en van vlammen' (Hooglied 8,6).[19] Het hele gedicht laat zich lezen als één magistrale omspeling van deze kernzin uit het Hooglied.[20] Het vuur van de Godsliefde is zo diep in de diepste kern van de ziel doorgedrongen, dat zij van binnenuit in haar ontvlamt. Tegen deze achtergrond lezen wij nu het gedicht 'naar het goddelijke toe'.

De eerste strofe introduceert de vlam van de Godsliefde, die teder het diepste midden van de ziel trefzeker raakt en verwondt. Het 'goddelijk liefdesvuur' is binnengedrongen 'in de kern van de ziel'. De zuivering en loutering zijn 'voltooid'. Niet langer is de Godsliefde 'gruwzaam', niet langer teistert zij de ziel 'door de onvolkomenheden van haar slechte gesteltenissen te verbranden en te verteren'.[21] De ziel smeekt de liefdevlam de omvorming in liefde te 'voleinden', dat wil zeggen: zij smeekt dat vanuit de zoete tegenkomst van het liefdesvuur 'het weefsel' van het sterfelijk leven 'breekt', zodat de omvorming in heerlijkheid een aanvang neemt.

De tweede strofe is een loflied op de vlam van de Godsliefde, die levendig en vrij speelt in de opengeschroeide kern van de ziel. Zij wordt geprezen om haar milde schroeien, haar strelend zachte verwonding, haar zachte hand, haar tere aanraking. Deze paradoxen zijn allemaal omspelingen van de limietsituatie waarin de ziel zich bevindt: een uiterst verteerd worden door de Godsliefde, echter zo, dat haar gruwzaamheid niet meer gevoeld wordt' Integendeel, haar ontvlammen is mild, strelend, gedwee en teer. In deze liminaliteit van de Godsliefde wordt een glimp – maar absoluut niet meer dan dat – opgevangen van de omvorming in heerlijkheid. De uiterste omvorming in liefde 'smaakt naar eeuwig leven'. Alles wat gebeurd is, is ondergedompeld in de zee van barmhartigheid die God is. Alle schulden zijn betaald. Wat wij 'leven' noemen, blijkt 'dood' te zijn en moet 'geslachtofferd' worden om te verrijzen in de oneindige omvorming in heerlijkheid.

In de derde strofe schouwt Jan van het Kruis in de diepte van het vuur, dat vlamt in het diepste midden van het hout, om van binnenuit licht en warmte uit te stralen. Vrij bewegend speeelt de vlam van de Godsliefde in de kern van de ziel, die nu open is en wijd, zij is 'immers zeer wijd en onmetelijk'.[22] De Liefdevlam beweegt ongehinderd in de ziel en lijkt op lampen die een ruimte van binnenuit met hun glanzingen verlichten. De diepe krochten van de zinnen, die, voordat het Liefdesvuur het diepste midden van de ziel bereikte, donker waren en blind, zijn nu verlicht, de ogen gaan open. Zij schouwen, hoe de Godsliefde hen van binnenuit verlicht en ziende maakt. En zij van hun kant geven warmte en licht aan de Geliefde, die vurig in hen beweegt. De Geliefde warmt zich aan het vuur dat Hij in de zinnen is. Tegelijk komt Hij in hen aan het licht.

De Geliefde wordt in de slotstrofe rechtstreeks aangesproken. Opnieuw klinkt het motief, dat vanaf het begin speelde: de liefde is in deze fase van omvorming niet 'gruwzaam meer', maar 'teder', 'zoet', 'mild', 'strelend', 'gedwee' en 'teer'. Deze motieflijn wordt in de slotstrofe voortgezet: de Geliefde ontwaakt 'zacht' en 'lief' in het diepste midden van de ziel, de borst, ademt daar 'genotvol', vloeit over van 'goed en heerlijkheid' en zijn liefde voelt 'fijn'. Al deze woorden duiden op een fase in de liefde, die 'niet meer gruwzaam' is zoals zij dat was, toen zij haar ontmengende, louterende en verwijdende kracht toonde. Maar nu is zij zacht en lief, omdat alle hindernissen tot in de diepste lagen van de persoon zijn weggenomen door de liefde zelf. Zoals het vuur ten slotte, doorgedrongen tot in de kern van het hout, plotseling ontvlamt, zo ontwaakt de Geliefde in het diepste innerlijk van de persoon, de borst, als uit een diepe slaap. Zoals het ontvlammen teder, mild en strelend gebeurt, zo gebeurt het ontwaken zacht en lief. Apart wordt vermeld, dat de Geliefde 'geheimvol' en 'alleen' verblijft in de 'borst' van de geliefde. Dat de Geliefde 'alleen' verblijft in de diepste kern van de ziel, betekent niet slechte, dat 'de duivel niet kan doordringen tot dat punt en dat geen enkel mensenverstand kan weten hoe het is', bovenal betekent het, dat Hij in haar 'verblijft als in zijn eigen huis', omdat de ziel volkomen ontdaan is van zichzelf.[23] De geliefden hebben beiden het eigene verlaten en verblijven in de ander: 'Bij de omvorming door liefde schenkt de een zijn zelfbezit aan de ander. Elk van beiden schenkt zich aan de ander en verruilt zich voor de ander. Aldus leeft ieder van beiden in de ander, ja, de een is de ander.'[24] Deze goddelijke ruil in liefde impliceert tevens het geheimnisvolle karakter ervan: 'God regeert en bestuurt de ziel en verblijft er des te geheimvoller naarmate Hij er meer alleen is.'[25] De ziel heeft geen enkele vat meer op zichzelf. Zij ontvlamt nog slechts in het vurige bewegen van de Heilige Geest, zij ontwaakt nog slechts in het ontwaken van de Geliefde, zij ademt nog slechts mee in zijn toeademen, zij geeft slechts mee met zijn zelfgave 'van goed en heerlijkheid vervuld', zij is nog slechts 'zacht en lief' in het 'fijne lieven' van de Geliefde.

Op deze wijze laat de Vlam van liefde levend zich 'naar het goddelijke toe' lezen. Het gedicht is betrokken op de omvorming in liefde, en met name op de uiterste fase van deze omvorming: wanneer de liefde 'het diepste midden van de ziel' bereikt heeft en haar zo wijd en zacht gemaakt heeft, dat zij geen weerstand meer biedt aan de liefde, maar in haar ontvlamt, ontwaakt, ademt en geliefd wordt. Het gedicht is, zoals het opschrift zegt, geschreven 'vanuit de liefdeseenheid met God'.

Levend

Het woord 'levend', dat met een zekere nadruk aan het einde van de eerste versregel staat, lijkt geen nadere toelichting nodig te hebben. De vlam speelt immers levendig in de kern van het hout, dat wil zeggen: het vuur van de Godsliefde beweegt zich levendig in het diepste midden van de ziel en maakt haar levend. Toch zijn er wel een paar vragen te stellen. Wat heeft dit 'levend' met 'eeuwig leven' te maken (strofe 2), en wat betekent het, dat de liefdevlam dood in leven heeft veranderd (strofe 2)? Welk leven is dood en welk leven is levend? Wat betekent het, dat het ademen van de Geliefde in de borst 'van goed en heerlijkheid vervuld' is (strofe 4)? Ik denk, dat deze vragen verhelderd kunnen worden, wanneer wij ons verdiepen in de omvorming in heerlijkheid.

Jan van het Kruis ziet de omvorming in liefde als 'de meest verheven toestand waartoe men in dit leven komen kan', terwijl de omvorming in heerlijkheid 'in alle volmaaktheid geschieden zal in de hemel, in het leven met God, bij allen die het verdiend hebben zichzelf te zien in God'.[26] Hoort 'levend' uit het eerste vers nu bij 'dit leven' of bij 'het leven in God'? Het hoort, in zekere zin, bij beide. Om dit te begrijpen moeten we iets meer weten over de omvorming in heerlijkheid. Leidinggevend is hier het woord van Paulus: 'Ik leef, nee, niet ik, Christus leeft in mij' (Gal 2,20). Jan van het Kruis verstaat dit woord als volgt: 'Hoewel Paulus leefde, was het leven toch niet het zijne. Hij was immers omgevormd in Christus. Zijn leven was dus meer goddelijk dan menselijk.'[27] Er spelen hier drie betekenislagen door elkaar: het leven dat wij leiden en dat van ons is; het leven dat van God is en dat reeds enigszins geleefd wordt in dit leven; het leven van God dat niet ons eigen leven is, ons eigenlijke leven. Dit laatste leven ontvangen wij in de omvorming in heerlijkheid: 'omgevormd in God als ze dan immers zijn, leven zij het leven van God en niet hun eigen leven; toch is het hun leven. Dan zullen zij in waarheid kunnen zeggen: “Wij leven, nee niet wijzelf, want God leeft in ons.” Hoewel dit ook reeds in dit leven kan gebeuren, zoals het geval was bij Paulus, is het ook dan nog niet volmaakt en volkomen, ook al komt de ziel tot zo’n intense omvorming door de liefdeals in het geestelijk huwelijk plaatsvindt, die de meest verheven toestand is waartoe men in dit leven kan komen.'[28] Dit laatste is precies de toestand waarover de Vlam van liefde levend spreekt: het gebeurt 'ín dit leven', maar is tegelijk reeds 'een ánder leven' – het leven in God – zij het nog niet volmaakt: 'In deze fase, in deze toestand van het geestelijk huwelijk, waarover wij nu spreken, is de volmaaktheid van liefde in heerlijkheid nog niet aanwezig. Toch is er reeds een levende afglans en afbeelding van die volmaaktheid, welke op generlei wijze in woorden is uit te drukken.'[29] Hier gebruikt Jan van het Kruis het woord 'levend' in dezelfde betekenis als in de eerste versregel van het gedicht: de vlam van liefde is 'levend', omdat zij reeds 'meer goddelijk dan menselijk' is; zij vlamt 'in dit leven', maar ontvlamt in eigenlijke zin aan het liefdesvuur dat God in het eeuwig leven is; de vlam is een 'levende afglans en afbeelding' van de omvorming in heerlijkheid. Is dit alles juist, dan werpt dit een specifiek licht op het gedicht. Weliswaar in zijn geheel geschreven binnen de omvorming in liefde, waarvan het een volmaakte uitdrukking is (het geestelijk huwelijk), tegelijk is het een 'afglans en afbeelding' van de omvorming in heerlijkheid. Diezelfde grenssituatie zien we ook in de Schets van de berg Karmel. Ook deze 'schets' kantelt van de omvorming in liefde naar de omvorming in heerlijkheid.[30] Lezen wij opnieuw het gedicht vanuit dit perspectief: als 'afglans' en 'schets'[31] van de omvorming in heerlijkheid.

De vlam van liefde die leeft uit God, wordt 'teder' genoemd, wanneer zij het diepste midden van de ziel 'treft'. De reden van deze kwalificatie is: de vlam van liefde, de Heilige Geest, doet in deze fase van de liefde geen pijn meer: 'Tevoren, toen de ziel nog niet open stond voor de volmaakte liefde, was die pijn er wel. Eenmaal zover gekomen (in de omvorming in heerlijkheid, kw) bevindt de ziel zich in een toestand van eensgezindheid en tedere liefde tot God.'[32] De tederheid waarmee de liefdevlam leeft in de ziel en haar voorbij al haar grenzen en hardheden treft, is een afglans van de volmaakt ongehinderde liefde die ons wacht. Diezelfde afglans doorschijnt ook al die andere 'tedere' woorden die kenmerkend zijn voor de Vlam van liefde levend: zoet, mild, strelend, gedwee, teer, zacht, lief, fijn. Zij weerspiegelen de ongehinderdheid van de liefde, die kenmerkend is voor de omvorming in heerlijkheid, maar zich reeds in de volkomen liefde aankondigt. Zij treft met een ongekende zachtheid de kern van de ziel, zij is 'niet meer gruwzaam'. Zo sterk is reeds de heerlijkheid voelbaar, dat de ziel ernaar verlangt, dat de omvorming in liefde 'voleind' wordt. Zij hoopt dat het 'weefsel' van de schepsellijkheid zal 'breken' vanuit de zoetheid van de oneindig tedere liefde.

In de tweede strofe wordt precies dit tedere en zoete van de tegenkomst naar voren gehaald. Het milde schroeien, de strelende verwonding, de gedweeë hand en de tere aanraking worden een voorsmaak van de omvorming in heerlijkheid genoemd: zij smaken naar eeuwig leven. De vlam van liefde heeft voor de ziel de smaak van eeuwig leven: zij is een voorafschaduwing van de omvorming in heerlijkheid. De ziel voelt als het ware de overgang naar het eeuwig leven reeds in de liefdevlam: hier worden alle rekeningen vereffend, hier wordt de slachtdood van dít leven de ontvangenis van het andere 'leven', waarvan de vlam 'leeft' en dat 'eeuwig leven' is.

De derde strofe lijkt op het eerste gezicht niet te verwijzen naar de omvorming in heerlijkheid. Men moet evenwel bedenken dat één van de vijf glimpen die de ziel opvangt in de ultieme liefdeseenheid, hierin bestaat, dat de donkere nacht van de Godskennis omgevormd wordt in een 'heldere nacht, dat wil zeggen: in de heldere en zalige beschouwing. (…) de heldere en klare beschouwing die bestaat in het zien van God'.[33] Deze Godskennis is volkomen passief. De ziel 'ontvangt op louter passieve wijze kernachtig inzicht, vrij van ieder beeld.’[34] De ziel wordt met haar kern (substantie) in de wijze waarop God zichzelf kent, getrokken. Welnu, dat is het wat de derde strofe – als in een glimp – oproept. De vlam van liefde beweegt zich vrij in het innerlijkst van de ziel en zet daar als brandende fakkels en lampen de diepste krochten van de zinnen in het licht. Voorheen waren zij donker en blind. En zie, deze diepe en donkere krochten schenken nu – aangelicht door Gods liefdesvuur – warmte en licht aan de Geliefde, aan God! God komt in de diepste krochten van de zinnen aan het licht! En dit gebeurt met een ongekende opmerkzaamheid, schoonheid en waardering. Dit nu is het, waarom de liefdevlam een glimp, een afglans en een schets is: reeds ín de omvorming in liefde wordt iets geproefd van het God zien, want voorvoeld wordt, hoe in het licht van Gods vlammen – waarin de ziel verteerd wordt én opengaat – God zelf aan het licht komt en verwarmd wordt. De ziel voorvoelt te zullen delen in de trinitaire vlam van liefde, die een helder en zaligend schouwen is.

Ook de vierde strofe lijkt niet betrokken te zijn op de omvorming in heerlijkheid. Maar ook hier dienen we te beseffen, dat het toeademen van de Heilige Geest één van de vijf glimpen van de heerlijkheid is die de ziel opvangt in de uiterste limiet van de omvorming in liefde. De ziel wordt in het ontvlammen van de liefde in haar diepste kern meegenomen in het ademen van de Heilige Geest 'om dezelfde toe-ademing van liefde te voltrekken die de Vader ademt naar de Zoon en de Zoon naar de Vader. Aldus wordt bij deze omvorming de Heilige Geest zelf haar toegeademd in de Vader en de Zoon, om haar één te maken met God'.[35] Net als het lichten en warmen van de lampen is ook het toeademen een binnengoddelijk liefdesgebeuren waarmee de ziel – als in een glimp – contact maakt. 'Het is een toe-ademen dat God de ziel laat overkomen, daarin, in dat ontwaken van de hoge kennis van de Godheid ademt de Heilige Geest haar toe. (…) Het toe-ademen neemt haar mee naar de diepten van de Heilige Geest, het doet haar ontvlammen in liefde.'[36] Ontvlammen, ontwaken, verblijven, toe-ademen en lieven duiden alle op één en hetzelfde: de ziel ervaart meegenomen te worden in het liefdesvuur dat God is, 'de ziel ervaart een vreemd genot bij dit toe-ademen van de Heilige Geest in God'.[37]

Op deze wijze laat de Vlam van liefde levend zich lezen vanuit de omvorming in heerlijkheid, waarvan de uiterste omvorming in liefde een glimp opvangt. Want al zijn beide omvormingen voor Jan van het Kruis onderscheiden, ze hangen tegelijk innerlijk samen. De omvorming in liefde bevat een 'schets' en is een 'afglans' van de omvorming in heerlijkheid. Voor wie dit ziet, krijgt het 'levende' van de liefdevlam er een dimensie bij: in de vlam brandt het vuur van Gods liefde, waarvan de ziel, doordat zij daar ingetrokken wordt, een glimp opvangt, een glimp van 'eeuwig leven'.

De uitroepen 'O' en 'Hoe'

We hebben het gedicht drie keer gelezen: eerst vanuit het beeldverhaal van het vuur dat ontvlamt in de binnenste kern van het hout; daarna naar het goddelijke toe als uiterste omvorming in liefde; ten slotte als afglans van de omvorming in heerlijkheid. Hierdoor kregen we oog voor de verschillende facetten van deze diamant. Maar haar innerlijke gloed zou ons daarmee kunnen ontgaan, want die is het meest voelbaar in de uitroepen 'O' (5x) en 'Hoe' (2x), die de bewogen kern van het gedicht bepalen. Daarbij komt dat de Vlam van liefde levend een gebed is, waarin de liefdevlam rechtstreeks wordt aangesproken. De ziel is inderdaad 'in innige samenspraak vanuit de liefdeseenheid met God', zoals het opschrift zegt.

Om de betekenis van dit alles te beseffen kunnen we het beste naar Jan van het Kruis zelf luisteren, waar hij genoemde uitroepen becommentarieert. Hij stelt vast, dat alle vier zangen met de woorden 'O' en 'Hoe' beginnen, om vervolgens op te merken, dat deze woorden 'telkens wanneer ze worden uitgeroepen, innerlijk meer uitdrukken dan wat in taal gezegd kan worden'. Dit onzegbare duidt op het toe-ademen van de Heilige Geest: ‘'Dit toeademen van de Heilige Geest in de ziel, waarmee God haar omvormt in zichzelf, is voor haar zo'n verheven, zo'n fijn en zo'n diep genot, dat het in de taal van een sterveling niet is weer te geven. (…) De ziel immers, verenigd met en omgevormd in God als zij is, ademt in God naar God dezelfde ademtocht toe, die God in zichzelf de ziel toe-ademt, wanneer deze in Hem is omgevormd.'[38] De uitroepen 'O' en 'Hoe' gaan alle taal te boven, omdat ze 'innerlijk meer uitdrukken' dan in woorden kan worden gezegd. Ze drukken immers innerlijk het toe-ademen uit dat 'van goed en heerlijkheid vervuld' is. Daarom ziet Jan van het Kruis 'duidelijk dat ik het niet kán zeggen. (…) Omdat dit toe-ademen van God van goed en heerlijkheid vervuld is, heeft de Heilige Geest de ziel daarin vervuld van goed en heerlijkheid. Hierdoor doet Hij haar in de diepten bij God in liefde tot zich ontvlammen, en wel op een wijze die alle taal en ervaren te boven gaat'.[39] Het ademen van God in de ziel is onzegbaar, omdat het 'innerlijker' is dan het diepste midden van de ziel én omdat het de wederzijdse toe-ademing tussen Vader en Zoon in de Geest is, zoals Paulus zegt: 'Wij weten niet hoe wij zullen bidden, maar de Geest pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen' (Rom 8,26). Dit nu drukken 'O' en 'Hoe' uit. Zij bidden en smeken in God. In dit bidden in de Geest onderscheidt Jan van het Kruis twee bewegingen: in 'O' en 'Hoe' komen 'veel verlangen en veel dringend vragen tot uiting. Met het oog op beide werkingen bezigt de ziel de uitroepen in deze zang, want daarmee verhevigt en verinnigt zij het grote verlangen, terwijl zij er bij de liefde op aandringt haar los te maken'. Het vele verlangen duidt op het liefdesverlangen van de Vader en de Zoon, dat in hun wederzijds toe-ademen onuitputtelijk en eeuwig beweegt. De uitroepen delen in dit vele verlangen en geven er uiting aan. Het vele dringend vragen duidt op de onuitsprekelijke verzuchtingen, waarmee de Geest pleit voor heel de schepping, die in barensnood verkeert en smeekt bevrijd te worden van de vergankelijkheid waaraan zij onderworpen is (Rom 8,18-22). Beide bewegingen – verlangen en vragen – zijn werkingen van het ene toe-ademen, dat alle taal te boven gaat.

Wanneer we over dit alles nadenken, komen wij tot de conclusie, dat de uitroepen 'O' en 'Hoe' wezenlijk het genre van de Vlam van liefde levend bepalen. Het gedicht is een gebed dat uiting geeft aan 'veel verlangen en veel dringend vragen'. De uitroepen verzuchten één goddelijk toe-ademen, dat het gedicht van het begin tot het einde doortrekt: 'O vlam van liefde, Jij, niet gruwzaam ben Jij, voleind nu, zo Jij wilt… O mild schroeien, o strelende verwonding, o gedweeë hand, o tere aanraking… O lampen van vuur… Hoe zacht en lief ontwaak Jij, alleen Jij, hoe fijn lief Jij mij.' De uitroepen bestempelen het gedicht tot mystiek gebed: veel verlangen en veel aandringend vragen. Het bidden is een goddelijk toe-ademen, waarin de ziel deelt.

Als deze genrebepaling juist getroffen is, dan is de setting van het gedicht: de uiterste omvorming in liefde als afglans van de omvorming in heerlijkheid. Deze mystieke limietsituatie vormt het genre van het vele verlangen en het vele aandringende vragen in God. Zo gezien kunnen wij zeggen, dat het toe-ademen, waarover de laatste strofe spreekt, het beginsel is dat aan het gedicht en met name aan de uitroepen waarmee alle vier de zangen openen, zijn innerlijke vorm geeft.




  1. B.Sesé, Jean da Croix. Poésies, o.c., 29.
  2. Zulke strofen worden liras ampliadas of ook wel estrofas aliridas genoemd. Zie B.Sesé, Jean de la Croix. Poésies, o.c., 188.
  3. Zie Vlam van liefde levend A 1,2.
  4. Zie strofe 2.
  5. Donkere nacht, 2,10,1.
  6. Donkere nacht, 2,10,2.
  7. Vlam van liefde levend, Proloog, 3.
  8. Aansluitend op het voorwoord.
  9. Vlam van liefde levend B, Voorwoord, 4.
  10. Vlam van liefde levend B, Voorwoord, 3.
  11. Vlam van liefde levend B, Voorwoord, 3.
  12. Donkere nacht, 2,11,1.
  13. Donkere nacht, 2,11,2.
  14. Vlam van liefde levend B, Voorwoord, 3.
  15. Vlam van liefde levend B, 1,3.
  16. Vlam van liefde levend B, 1,3.
  17. Vlam van liefde levend B, 1,3.
  18. Vlam van liefde levend B, 1,4.
  19. Jan van het Kruis citeert de Vulgaat: Lampades ejus lampades ignis atque flammarum.
  20. Voor de plaats van dit citaat binnen het geheel van het Hooglied zie K.Waaijman, Liefde in het Hooglied, in: Speling, 59(2007) nr 2, 14-19.
  21. Vlam van liefde levend B, 1,19.
  22. Vlam van liefde levend B, 1,23.
  23. Vlam van liefde levend B, 4,14.
  24. Geestelijk Hooglied, B, 12,7.
  25. Vlam van liefde levend B, 4,14.
  26. Geestelijk Hooglied, B, 12,8.
  27. Geestelijk Hooglied, B, 12,7.
  28. Geestelijk Hooglied, B, 12,8.
  29. Geestelijk Hooglied, B, 38,4.
  30. Zie K. Waaijman, De mystieke aanraking, Kampen 2008.
  31. Geestelijk Hooglied, B, 12,8.
  32. Geestelijk Hooglied, B, 39,14.
  33. Geestelijk Hooglied, B, 39,13.
  34. Geestelijk Hooglied, B, 39,12.
  35. Geestelijk Hooglied, B, 39,3.
  36. Vlam van liefde levend B, 4,17.
  37. Vlam van liefde levend B, 4,16.
  38. Geestelijk Hooglied, B, 39,3.
  39. Vlam van liefde levend B, 4,17.